De waarde van zelfrespect

1. je kunt van jezelf houden
Narramore begint zijn boek met aan te geven dat het beeld dat wij van onszelf hebben (‘zelfconcept’) niet alleen bepaald hoe wij ons zelf zien, maar ook hoe wij onszelf in relatie met anderen, ja in relatie tot onze gehele omgeving zien.
Als we een lage dunk van onszelf hebben, presteren we of te weinig of jagen we ons genadeloos op om te bewijzen dat het negatieve beeld dat we van onszelf hebben, niet klopt. Als we positief over onszelf denken, kunnen we al onze mogelijkheden benutten. (9)

Je kunt van jezelf houden en daarmee het onevenwichtige beeld van jezelf en met anderen effectief aanpakken.

Narromore geeft voorbeelden als ‘over je depressies heen komen’, ‘leren je boosheid binnen de perken te houden’, ‘jaloezie te overwinnen’, ‘leren je minder schuldig te voelen’, ‘leren te ontspannen’ en ‘je huwelijk te verbeteren’. (10-15)
De alomvattende boodschap van Narramore is dat de Bijbel duidelijk laat zien dat wij onszelf mogen, ja moeten liefhebben. Die zegt dat wij geschapen zijn naar Gods beeld. Die zegt dat wij kostbare en waardevolle schepselen zijn. En die zegt dat wij zo belangrijk zijn, dat Christus Zijn leven voor ons heeft gegeven. De Bijbel leert ook dat het positief beoordelen van onszelf, helemaal niet in strijd is met uitspraken over ootmoed en zelfverloochening. (16) Narramore komt daar in hoofdstuk 5 uitgebreider op terug.

2. argumenten om van jezelf te houden

Narramore geeft de volgende argumenten om van jezelf te houden.
Van het eerste hoofdstuk van Genesis tot het laatste van het boek Openbaring zegt de Bijbel nadrukkelijk dat God grote waarde hecht aan de mens. In heel de Schrift wordt de waarde van de mens benadrukt. (20) We zijn schepselen Gods, met intellectuele vermogens, kennis van goed en kwaad, in staat tot het doen van verstandige keuzen en in staat om ons met anderen te verstaan en creatief te zijn. Hoewel onze gelijkenis met God door de zonde geschonden is, bestaat die nog altijd en zal zij geheel hersteld worden in de eeuwigheid. (21)

De Bijbelse visie op de mens erkent voluit onze zonden en tekortkomingen, maar dat doet tegelijk geen afbreuk aan onze wezenlijke betekenis als schepping van de levende God. Dit is uiteindelijk hét argument om onszelf hoog te achten. Omdat wij geschapen zijn naar Gods gelijkenis, zijn wij waardevol, van grote betekenis en van groot belang. De mens heeft een Goddelijke oorsprong, een eeuwige bestemming en een speciale betekenis. God heeft ons lief en wij verdienen het dat anderen en wijzelf ons van harte lief hebben. (22-26)

3. houden van jezelf: deugd of ondeugd

We hebben echter op de een of andere manier geleerd dat een positieve instelling tegenover onszelf niet te rijmen valt met een christelijke levenswandel. (29) En hoewel ontegenzeggelijk de zonde een krachtige invloed zal blijven uitoefenen tot wij de eeuwigheid ingaan, is het belangrijk dat wij voor ogen houden, dat onze zondigheid niet de básis mag zijn voor ons oordeel over onszelf. Het meest wezenlijke aan ons is immers dat wij geschapen zijn naar Gods beeld?! (34)
Pas daarna dienen we rekening te houden met de zonde, die in het volmaakte wezen van de mens is binnengedrongen. Als dit uitgangspunt eenmaal stevig in ons verankerd is, kunnen we gaan kijken hoe het gesteld is met onze zondigheid en onze tekortkomingen. Dat doen we dan om te zien dat we nog moeten groeien en al helemaal niet buiten genade kunnen. Maar dat doen we niet om daarmee vast te stellen wat we waard zijn.36

In plaats van hoogmoedig, eigengereid en egocentrisch te zijn, mogen we dan een Bijbelse liefde voor onszelf gaan ervaren namelijk als waardevolle schepselen van God, geschapen naar Zijn beeld en het voorwerp van Zijn liefde. (40)
‘Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb Ik ook u liefgehad; blijft in Mijn liefde ‘(Joh 15:9)

4. ook Jezus had een ego

We kunnen naar een mooie boom kijken die ziek is en zeggen: dat is een slechte boom, die kunnen we maar beter omhakken. We typeren de boom dan op grond van zijn ziekte. We zeggen en doen dan alsof het meest wezenlijke van die boom is, dat hij ziek is.

Maar we kunnen ook zeggen: dat is een goede boom, maar hij is ziek. Laten we die boom behandelen. In dat geval typeren we de boom door te letten op het werkelijk wezenlijke ervan. We hechten waarde aan de boom, ook al zien we dat er iets niet in orde is! (44)

Zo is het ook met onze identiteit.

Als wij onze identiteit baseren op onze zondigheid, lopen we door gebrek aan zelfaanvaarding gevaar uit het veld geslagen te raken. Baseren we onze identiteit daarentegen op onze totale persoonlijkheid, zoals die geschapen is door God, dan beschikken we over een goede grondslag voor een instelling van zelfaanvaarding. (44)

5. ootmoed: wat dat is en wat niet

Narramore geeft aan dat zelfaanvaarding niet tegengesteld is aan een ootmoedige houding hoewel de tekst uit Filipenzen 2:3 dat wel zou doen vermoeden: ‘zonder zelfzucht of ijdel eerbejag, doch in ootmoedigheid achtte de één de ander uitnemender dan zichzelf’.

Narramore geeft aan dat deze tekst echter gelezen moet worden in het geheel van wat Paulus zegt.

Paulus zegt namelijk dat Christus ons voorbeeld in ootmoed is en dat wij dezelfde instelling dienen te hebben als Hij. Paulus plaatst dat tegenover de geestesgesteldheden die op dat moment de eensgezindheid binnen de gemeente van Efeze verstoorden, namelijk door zelfzucht en ijdel eerbejag. In dát verband heeft Paulus het over de ander uitnemender achtten. (48)

In dat verband geeft hij het voorbeeld van Christus’ handel en wandel. Want ook al was Christus God, Hij verootmoedigde zich uit vrije wil, werd tot Iemand die diende, en gehoorzaamde Zijn Vader in alle aspecten van Zijn aardse bestaan. (49)
Ootmoed in Bijbelse zin kan daarom als volgt worden samengevat (56)

Ootmoed
Is niet: Je minder voelen dan een ander; Het onderschatten van je capaciteiten; Een hekel hebben aan jezelf; Passief zijn
Maar het is: Een evenwichtig gevoel van eigenwaarde hebben; Een realistisch beeld hebben van je capaciteiten; Beseffen dat je God nodig hebt; Bereid zijn te dienen en te voorzien in de behoefte van anderen

6. het ontstaan van zelfaanvaarding

Vervolgens gaat Narramore in op het ontstaan van zelfaanvaarding. Een pasgeboren baby staat aan de vooravond van de reis die vorm zal geven aan de instelling die hij tegenover zichzelf zal hebben. De manier waarop hij die reis maakt en de hulp die hij onderweg ontvangt, zijn bepalend voor de wezenlijke kern van zijn zelfbeeld. (57)
Die wordt in eerste instantie bepaald door het gedrag en de houding van de ouders. Zij zijn van zoveel belang omdat ze ons een fundamenteel gevoel van zekerheid, zelfvertrouwen en zelfrespect kunnen schenken, maar kunnen het verwerven van deze kostbare gevoelens ook in de weg kunnen staan.(59)

Een andere factor die van invloed is op iemands gevoel van eigenwaarde is het stempel dat wordt opgedrukt door ouders en anderen.

Die etiketten zoals ‘lui’, ‘eigenwijs’, ‘slordig’ of ‘dom’ kunnen wel ‘een leven lang meegaan’. Ook kunnen zulke etiketten zo diep ingebed zijn in onze persoonlijkheid dat ze nog een rol blijven spelen, terwijl daar objectief beschouwd geen enkele reden meer voor is. (64)

Respect, liefde en vertrouwen zijn de bouwsteen in het fundament voor het gevoel van eigenwaarde van het kind.

Als ouders er redelijk in geslaagd zijn ons zelfvertrouwen en zelfrespect bij te brengen, zullen we waarschijnlijk een positief beeld van onszelf hebben. Maar als zij ons in ons gevoel van eigenwaarde aantasten met kritiek, kleinerende opmerkingen of boze uitvallen, zal het ons niet meevallen te leren van onszelf te houden. (64)

7. ons ideale ik

Gedurende ons eerste levensjaren (10-20 jaar) wordt ieder van ons gevormd door zich aandringende normen, waarden en idealen.

Die worden ons niet alleen voorgehouden in de opvoeding, maar dienen zich ook aan in onze omgang met anderen en door de heersende cultuur. Samen vormen zij ons innerlijk beeld van dat wat wij willen of menen te moeten zijn. (66)

Als we aan onze ideale normen voldoen, houden we meestal van onszelf en bezitten we een positief gevoel van eigenwaarde.

Maar als we niet aan onze idealen beantwoorden, blijven we zitten met gevoelens van teleurstelling en ontevredenheid. Dit ideale ik, dat zich dus grotendeels vormt in de eerste tien tot twintig jaar van ons leven, gaat een vaste plaats innemen in onze gedachtewereld.

Jaren later, vaak zonder dat wij ons daarvan bewust zijn, beoordelen wij onszelf nog altijd naar de maatstaven, die we als kind en als jong volwassene van anderen hebben overgenomen. (66)

Narramore geeft aan dat er in principe twee stijlen zijn die wij ons in onze ontwikkeling aanmeten als het gaat om misstappen en het niet voldoen aan ons ideale ik, namelijk ons ‘straffende ik’ of het ‘liefdevol terechtwijzende ik’. Hij geeft aan dat de keuze uit die twee voornamelijk bepaald wordt door de stijl die onze ouders innamen. Als onze ouders meestal kritisch, streng en straffend opstelden, nemen we dat als stijl over en reageert ons ‘straffende ik’ als we volwassen zijn op soortgelijke wijze op onze misstappen – we wijzen onszelf af. (67) Als onze ouders ons echter liefdevol terechtwezen en nalieten schaamtegevoelens bij ons op te roepen of ons te bekritiseren, hebben wij geleerd hoe wij, als we falen onszelf liefdevol terecht kunnen wijzen. (69) We zijn dan in staat onze misstappen toe te geven, zonder onszelf te bedelven onder schuldgevoelens, spanningen en verwijten, maar ons zelfrespect en onze zelfaanvaarding te bewaren, ook in onze gebreken. (71)

8. drie beletselen voor zelfaanvaarding

Zolang wij denken dat we iets moeten doen voordat iemand van ons kan houden, blijft ons gevoel dat we bemind worden erg kwetsbaar.
Door te proberen zo te leven, dat we er de genegenheid van anderen mee verdienen, verhinderen we echter het op gang komen van het proces waaraan we het meeste behoefte hebben. We willen dan iets anders zijn dan wat God wil dat we zijn. (74)

Als we de visie van anderen op ons tot norm stellen, leren we onze spontaniteit en onbevangenheid de kop in te drukken, omdat we merken dat die niet altijd in overeenstemming zijn met wat anderen van ons verlangen. We proberen bepaalde vaardigheden onder de knie te krijgen (of dat nu op het gebied van sport, muziek, schilderkunst of de omgang met anderen is) om onze ouders en anderen te behagen.

Zodoende worden echter onze van God gegeven gaven en talenten naar de achtergrond gedrukt. (74)

Jarenlange ervaring door ouders gestraft of terechtgewezen te worden, zorgt ervoor dat de meesten van ons daar de diepgewortelde overtuigen aan overhouden dat wij iedere keer als we ons doel niet bereiken, denken het te verdienen om afgewezen, onder druk gezet, of op andere manier gestraft te worden. Zo blijven onze ‘verinnerlijkte ouders’ druk op ons uitoefenen. (75)

Als het goed is ervaart een baby/kind zich in zijn eerste jaren als het middelpunt van de belangstelling van zijn ouders en zijn omgeving. (78) Echter in de loop van de ontwikkeling van elk mens (vooral van baby via kind naar jong volwassene) ervaart hij dat, áls hij al het middelpunt was voor zijn ouders, dat toch zeker niet is voor zijn omgeving. Deze ervaring heeft drastische gevolgen voor de ontwikkeling van ieder mens en is de oorzaak van de derde verkeerde veronderstelling die iemands gevoel van eigenwaarde ondermijnt (1e: we moeten iets doen voordat iemand van ons kan houden; 2e : als ik op enige wijze niet voldoe is het terecht dat ik gestraft wordt). Deze derde veronderstelling zegt: op de een of andere manier moet ik het comfort, de geborgenheid en de macht, die ik had toen ik het middelpunt van mijn omgeving was (baby / peuter), kunnen herwinnen; ik kan het in mijn wereld voor het zeggen krijgen en een ‘ god ‘ worden, net zoals ik toen mijn ouders zag. (78/79)

Vanaf de eerste kinderjaren zoeken wij dan ook naar manieren om onze zin te krijgen, ons gezag te laten geleden en te laten zien wat we waard zijn. We worden koppig, bazig, aardig, agressief, stil, ruziezoekerig of wat we maar denken te moeten zijn om onze gevoelens van minderwaardigheid en zwakheid te overwinnen. (80) Als die pogingen falen, kunnen we ook nog op een andere manier proberen ons
zelfrespect te herwinnen. We leren te fantaseren en te dagdromen over macht en succes. We beoordelen onszelf dan volgens onze gefantaseerde idealen, en beschouwen onszelf als mislukkelingen als we niet aan de fantastische verwachtingen uit onze dromen beantwoorden. (81)

U begrijpt welke problemen zo’n instelling oproept. In plaats van op te groeien tot redelijk intelligente, sterke en zelfstandige volwassenen (zoals Gods bedoeling is) proberen we de sterkste, de slimste, de mooiste of op een andere manier de beste ten opzichte van anderen te worden. (82) Maar hoe goed de dingen ons ook afgaan, nooit kunnen we tevreden zijn over onze prestaties. Ons ideaal van macht en volmaaktheid komt steeds weer boven en blijft ons het leven vergallen. Onze rapportcijfers zijn nooit hoog genoeg, onze huizen nooit fraai genoeg. Onze betrekking is nooit goed genoeg. En onze kinderen nooit braaf genoeg. (83)

Die onverzadigbare ambitie om onze glorieuze dromen te verwezenlijken hangt nauw samen met nog een nadere instelling die we ons allemaal eigen maken. Dat is de instelling die zegt: ik weet zelf het beste wat tot mijn geluk bijdraagt en aan mijn behoeften voldoet; ik weet zelf het beste hoe ik gelukkig kan worden. Daarmee nemen eigenlijk de rol van God op ons. (83) Dit zichzelf als een God opwerpen is in feite het hoofdbestanddeel van zonde. Denkt u maar aan Adam en Eva. Zijn waren de eersten die ontevreden waren over hun menselijke beperkingen en besloten dat zij het beste wisten hoe ze moesten zijn. (84)

Omdat wij onszelf niet aanvaarden zoals wij door God geschapen zijn, proberen wij een volkomen en onrealistisch doel te bereiken. Zolang wij niet accepteren dat wij aanzienlijke beperkingen hebben, zijn wij nooit vrij onszelf lief te hebben. (85)

9. depressiviteit en het liefhebben van jezelf

In onze tijd heerst een ware epidemie van depressiviteit. Alom gaan mensen gebukt onder gevoelens van moedeloosheid en wanhoop.

Depressiviteit kan zich uitten vanwege gebrek aan zelfaanvaarding. Iemand die ernstig depressief is, staat erg kritisch tegenover zichzelf, is overgevoelig en cijfert zichzelf helemaal weg. Misschien trekt hij een façade van optimisme op, maar daarachter schuilt een onuitputtelijk reservoir van schuldgevoelens, zelfverwijt en zelfverachting. (87)

Zoals we dat allemaal doen, houdt iemand die depressief is vast aan de idealen die hij van zijn ouders heeft overgenomen en aan zijn eigen onvervulbare aspiraties. In plaats van zijn idealen te gebruiken als richtsnoer of als drijfveer, gebruikt hij ze om zichzelf te pijnigen.

Hij verafschuwd zijn eigen onhaalbare normen, maar kan zich daar niet van bevrijden. Op die manier wordt zijn toch al niet gunstige beeld van zichzelf, uiteraard nog ongunstiger. (91)

Andere mensen proberen hun gebrek aan zelfaanvaarding op een andere manier op te lossen, namelijk door afstandelijkheid.

Omdat ze weten dat het innig betrokken zijn bij, en het vertrouwelijk omgaan met anderen kan leiden tot angst, afwijzing en frustraties, gaan ze afstand scheppen tussen zichzelf en anderen, en gaan daarbij hun eigen emoties uit de weg. Deze mensen staan zich niet toe op vertrouwelijke voet met anderen te geraken – zelfs niet in hun huwelijk – omdat zij zich niet kwetsbaar durven op te stellen. (91)
In bepaalde christelijke kringen worden de problemen die samenhangen met depressiviteit en afstandelijkheid vaak nog gecompliceerder. Veel kerken (volgens Narramore) benadrukken bijvoorbeeld de zondigheid van de mens zózeer, dat onze grote waarde en betekenis als persoon voor God, uit het oog word verloren. We worden tot waardeloze holle vaten, in plaats van vrije, creatieve persoonlijkheden die liefdevol gehoor kunnen geven aan God. (92/93)

Inderdaad, door de zonde verliezen wij onze rechtschapenheid, maar niet onze waarde voor God! (95)

Wij dienen de tweeledige verantwoordelijkheid te onderkenen en onze eigen verantwoordelijkheid of die van God niet te bagatelliseren. Wij dienen de twee samenhangende feiten te overdenken, dat God onze schepper is en dat ons als menselijke wezens de vrije keuze wordt gelaten onze vermogens te ontwikkelen om Hem te dienen of ze te misbruiken. (96)

10. onszelf zien zoals God ons ziet

Onze instelling tegenover onszelf is in de loop van vele jaren tot stand gekomen, en gewoonlijk verandert die niet van de een op de andere dag. Weten dat ik van mijzelf mag houden is één ding, dat ook te doen is wat anders. (101)

We moeten allereerst onszelf zien als schepselen van God!
Het liefhebben van onszelf is slechts één aspect van onze totale kijk op de werkelijkheid. Die omvat een goede instelling tegenover God, onszelf en anderen. Wat God betreft dienen we zijn heiligheid, gerechtigheid, liefde en goedheid te onderkennen. Wat onszelf en anderen betreft,dienen we een evenwichtig inzicht te hebben in onze betekenis en waarde enerzijds, en onze zondigheid anderzijds. (105)

Als ik (Narramore) in dit boek het liefhebben van jezelf bespreek, heb ik het erover, dat we kunnen leren Gods alomvattende waardeoordeel over ons te aanvaarden. Dat is van het grootste belang, omdat onze instelling tegenover onszelf van invloed is op de kwaliteit van onze relatie tot God en tot anderen. (105)

Twee onderzoekers onderzochten de houding van leerlingen tegenover zichzelf – hun zelfconcept – en hun beleving van God. De resultaten waren veelzeggend. Leerlingen die wat hun zelfrespect betreft bovenaan stonden, zagen God als liefdevol en goedhartig, terwijl leerlingen met een slechte dunk van zichzelf, God veelal zagen als wraakzuchtig, streng, toornig, autoritair en onpersoonlijk. (106)

Het beeld dat wij hebben van onszelf beïnvloed werkelijk het beeld dat wij van God hebben. Maar de invloed van ons zelfconcept gaat nog verder. Dat beïnvloedt ook onze relaties tot anderen. (107)

Want weet u nog hoe dat ging laatst, toen u zich ellendig voelde en boos was op uzelf, moedeloos en depressief? Hoe was uw verstandhouding toen met uw partner, uw kinderen en uw vrienden? Was u liefdevol, begrijpend en vriendelijk? Ik betwijfel het.

Als wij op gespannen voet staan met onszelf, staan we meestal ook op gespannen voet met anderen. (107)

Wij moeten ons er daarom op instellen onszelf te zien zoals God ons ziet!
Wij moeten erkennen: God U hebt mij naar Uw beeld gemaakt en mij gemaakt om eeuwig bij U te zijn. Evenals Adam en Eva en alle andere leden van het mensdom heb ik gezondigd, en zo dat beeld diepgaand ontluisterd. Maar Christus heeft geboet voor mijn zonden. Ik weet dat U wilt dat ik deze feiten onder ogen zie en dat belijd. Ik weet dat u wilt dat ik mijzelf en al mijn medemensen liefdevol respecteer. (110)

11. een Bijbelse visie op onszelf

Als we eenmaal ernstig hebben voorgenomen onszelf te zien zoals God ons ziet, dienen we dit voornemen praktisch toe te passen op ons hele zelfconcept. (111)
Psychologen zijn het er over het algemeen over eens, dat ons zelfbeeld is opgebouwd uit een aantal ideeën en opvattingen over onszelf. We zijn geneigd onszelf te beschouwen als competent of incompetent, sympathiek of onsympathiek, zelfverzekerd of onzeker, waardevol of minderwaardig. Deze opvattingen over onszelf veranderen van tijd tot tijd, afhankelijk van onze prestaties en het oordeel dat anderen en wijzelf over onszelf hebben. (111)

Ons zelfbeeld heeft 4 hoofdbestanddelen: (111/112)
1. gevoel van waarde: als wij ons van onze waarde bewust zijn, zijn we op weg naar een sterk innerlijk identiteitsgevoel.
2. zelfvertrouwen: een fundamenteel gevoel van vertrouwen in onze capaciteiten en innerlijke kracht, is de eigenschap die ons in staat stelt iets te ondernemen en nieuwe taken op ons te nemen of in te gaan op nieuwe uitdagingen
3. zekerheid: terwijl zelfvertrouwen meer een kwestie van het innerlijk is, is zekerheid meer naar buiten gericht. Zekerheid heeft te maken met onze omgeving en onze relatie daarmee.
4. Liefde: om gelukkig te zijn en met een minimum aan problemen door het leven te gaan, moeten wij ons er van verzekerd weten dat wij bemind en aanvaard worden en dat wij erbij horen.

Zoals al eerder aangegeven, begint ons zelfconcept zich te vormen in onze kinderjaren. Omdat de menselijke aard is zoals hij is, bereikt echter niemand de volwassenheid met een volkomen gezond zelfbeeld. Ons zelfconcept is relatief of voorwaardelijk, omdat het samenhangt met en afhankelijk is van onze prestaties en van het waarde-oordeel daarover, dat we opvangen van onze ouders en andere voor ons belangrijke personen. (113)

We leren onszelf te aanvaarden mits we in staat zijn aan bepaalde verwachtingen te voldoen, en we leren onszelf niet te aanvaarden, ténzij anderen ons aanvaarden. Zo’n instelling heeft natuurlijk gevolgen voor onze hele manier van leven. Het zinnetje: ik kan van mijzelf houden als …, gebruiken we dan als uitgangspunt en we maken het zinnetje op allerlei manieren af zoals: … ik succes heb of: … ik een goede moeder ben, of: … ik een goed christen ben. Deze wankele basis voor ons zelfrespect kan ernstige gevolgen hebben, want zolang we niet aan onze eigen innerlijke verwachtingen beantwoorden, kunnen we niet echt tevreden zijn over onszelf. (114)

Ons zelfbeeld hoeft echter niet te berusten op het drijfzand van onze prestaties, en het hoeft niet afhankelijk te zijn van het oordeel en de waardering die we opvangen van anderen. Want terwijl menselijke waarden kunnen tanen of verschuiven en er veel kan veranderen in het leven, blijft God de solide oorsprong van onze identiteit. Op dát fundament kunnen wij een sterk en stabiel gevoel van persoonlijke identiteit optrekken. (115)

Geschapen naar Gods beeld, volgens Zijn ontwerp, zijn in het kind de wonderbaarlijke, complexe mogelijkheden aanwezig voor zijn lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en sociale ontwikkeling (Psalm 139) (116) Hoewel we dus in hoge mate verschillen in de manier waarop onze gaven op elkaar aansluiten, bezit elk mens een prachtig complex samenstel van vermogens, dat de kern vormt van onze ware persoonlijkheid – degene die God heeft ontworpen en die Hij wil dat we zijn. (117)

Daarbij blijft God niet op afstand. Hij belooft ons ook zekerheid in onze relatie met Hem, ja dat niets ons zal kunnen scheiden van Zijn liefde. Hij is met ons, van dag tot dag, en wij zullen in eeuwigheid bij Hem zijn. (119)
Evenals het gegeven dat God ons met unieke gaven heeft geschapen, en ons daarmee een diepgeworteld besef van duurzame waarde en vertrouwen wil schenken, kan het gegeven dat God ons liefheeft en ons heeft uitgekozen, ons tot een blijvende bron van gemoedsrust zijn. Wat een solide grondslag voor zelfaanvaarding hebben wij, nu God ons tot Zijn kinderen heeft gekozen! Deze aanvaarding komt en gaat niet al naar gelang onze prestaties of de mening van anderen, het is een liefde uit genade, die volkomen onvoorwaardelijk is! (119)
Er zijn dus twee richtingen die we kunnen inslaan bij onze pogingen een gevoel van eigenwaarde te krijgen. We kunnen onze liefde voor onszelf en aanvaarding van onszelf afhankelijk stellen van onze prestaties en het waarde-oordeel van anderen over ons. Of te wel, we kunnen besluiten tewerk te gaan op grond van voorwaardelijk of relatief zelfconcept

Daar staat tegenover dat we ook kunnen besluiten ons zelfconcept te baseren op de absolute en onveranderlijke God van het heelal, onze schepper. (121)

12. het opgeven van schuldgevoelens

Als er geen schuldgevoelens bestonden, zouden we maar weinig problemen hebben met ons gevoel van eigenwaarde.
Schuldgevoelens komen bij ons op zodra onze houding of ons gedrag niet beantwoord aan onze verwachtingen. (127)
Er zijn 3 factoren in ons proces van zelfbeoordeling: 1) het al dan niet voldoen aan onze idealen, 2) ons geweten (mede-weten) en 3) onze gedachten (‘straffende ik’ of ‘liefdevol terechtwijzende ik’) (127-130)
Narramore kwam tot het inzicht dat ‘schuld’ in het Nieuwe Testament een wettelijk en juridisch begrip is, en niet een gevoel of gewaarwording. 129 Het was een schok voor hem toen hij zich dat realiseerde. Kon het zijn, vroeg hij zich af dat hij al die jaren een verwrongen beeld van schuld had gehad? Kon het zijn dacht hij, dat God niet eens wil dat wij ons schuldig voelen? Dat schuldgevoelens dus niet van God afkomstig zijn? (130)

In feite dragen schuldgevoelens er toe bij dat wij gefrustreerd en uit het veld geslagen raken. Als wij ons schuldig en depressief gaan voelen, zijn wij weldra nog maar weinig waard voor God en Zijn werk. (130)

Er zijn 3 soorten schuld. De eerste soort, civiele of juridische schuld, vloeit voort uit overtreding van een menselijke wet. Theologische schuld echter heeft te maken met overtreding van Goddelijke normen of een Goddelijke wet. De Bijbel wijst erop dat ieder van ons theologisch schuldig is; we hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods (Rom 3:23).

Maar theologische schuld is geen gevoel of emotie. Het is een omstandigheid of gesteldheid waarin wij minder volmaakt zijn dan God wil dat wij zijn, maar dat gaat niet noodzakelijk gepaard met emotionele aspecten van schuld.

De derde soort, de psychologische schuld heeft te maken met de straffende, pijnlijke, emotionele gewaarwording, die wij gewoonlijk schuldgevoel noemen. In tegenstelling tot de juridische of theologische vormen van schuld gaat het bij psychologische schuld wel om een gevoel of emotie. (130/131)

Er staat niet één passage in het Nieuwe Testament, die zegt dat een kind van God zich schuldig moet voelen. (131)

Schuldigverklaring of schuldgevoelens hebben over het algemeen één van de volgende vier reacties tot gevolg: (131-133)
1. het bijltje er bij neergooien en instemmen
2. in verzet komen
a. passief verzet
b. boosheid
3. ontkennen en wegredeneren
4. oppervlakkig onze fouten toegeven

Als voorbeeld van een reactie op een schuldig verklaren, geeft Narramore de geschiedenis van David en de profeet Nathan (2 Sam 12:1-4) Er waren in een stad twee mannen; de een was rijk en de ander arm. De rijke man had zeer veel schapen en runderen; de arme had niets, behalve één klein ooilam dat hij had gekocht en opgekweekt. Het groeide bij hem op samen met zijn kindreen; het at van zijn bete, dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot; het was al een dochter voor hem.
Eens kreeg de rijke man bezoek; en hij kon er niet toe komen één van zijn schapen of runderen te nemen en te bereiden voor de reiziger die bij hem was gekomen; dus nam hij het ooilam van de arme man en bereidde dat voor de man die bij hem gekomen was
Toen David dat hoorde, ontstak hij in woede en zei: zo waar de Heere leeft: de man die dit gedaan heeft, is een kind des doods.
Toen zij de profeet Nathan: Gij zijt die man!

U zult zich kunnen voorstellen hoe David schrok. Hij dacht dat hij een rechtvaardig oordeel velde over de rijke man, die het enige lam van een arme man had genomen. Hij was oprecht verontwaardigd, zolang hij alleen oog had voor de zonde van een ander.

Maar in feite verdong hij zijn eigen zonde. (134)

Het is een vreemde paradox, dat de dingen die we in anderen afkeuren, vaak de dingen in ons eigen leven zijn, waarvan we ons niet bewust zijn. (134)
We wennen ons aan, ons ongelijk toe te geven, om ons daarna opgelucht te kunnen voelen. We vragen vergeving, om ons bezwaard gemoed te verlichten. Op het eerste gezicht lijkt dit een positieve beslissing. Spijt betuigen heeft een magische werking: in een oogwenk verdwijnen onze schuldgevoelens en voelen we ons beter, aanvaard door God en nog onbestraft ook!

Maar hoe zit het met onze motíeven om onze spijt te betuigen? (134)

Iedere keer wanneer wij niet beantwoorden aan de eisen van ons ideale ik, zorgt ons geweten ervoor dat wij ons er van bewust worden dat we gefaald hebben. Dit besef brengt op zijn beurt de één of andere reactie op gang. Als wij ons hebben aangewend te dreigen of te beschuldigen, reageren we met schuldgevoel en veroordelen we onszelf. Ons ‘straffende ik’ neemt het heft in handen en zorgt ervoor dat wij onszelf afwijzen en veroordelen.
Als we daarentegen tot gewoonte gemaakt hebben beminnelijk toe te geven dat we gefaald hebben, zal ons ‘liefdevol terechtwijzende ik’ ons aanzetten tot een constructieve vorm van berouw. Als we ons zo bezien kunnen we het te kwaad hebben met onze zonden en tekortkomingen, maar hoeven wij onszelf niet de mantel uit te vegen of te veroordelen omdat we ons schuldig voelen. (138)

Verlaagde normen of verhoogde prestaties kunnen ons onze veroordeling van onszelf misschien een tijdje doen vergeten, maar alleen het door Christus volbrachte werk kan er voor zorgen dat wij werkelijke vrede hebben met onszelf en onze beperkingen.
Als God ons kan vergeven, kunnen/moeten wij onszelf toch ook vergeven?! (140)
Dat is de reden waarom schuldgevoelens geen plaats meer zouden mogen innemen in het leven van een christen.

Als christenen dienen wij een open oog te hebben voor onze zonden en Gods schuldigverklaring te beantwoorden met inkeer en liefdevol, constructief berouw. Maar dit constructief berouw is echt wat anders dan schuldgevoel. (140)

13. het liefhebben van jezelf, soevereiniteit en overgave

We moeten leren ons over te geven aan God. Overgave betekend eenvoudig dat men de soevereiniteit van God erkent. We besluiten dan ons leven in te richten volgens de aanwijzingen zoals Hij die ons heeft gegeven in de Schrift.
Bovendien moeten we concluderen en toegeven dat wij los van God niet op ons best kunnen functioneren en moeten bereid zijn te leren het leven vanuit Gods standpunt te zien. Ik mag gewoon mijzelf zijn. God neemt mij zoals ik ben! (147/148)
Narramore citeert: (149)
Wanneer je je overgeeft aan Christus, vallen alle afkeer, alle afschuw en alle afwijzing van je af.
Want, hoe zou je kunnen verafschuwen wat Hij heeft gemaakt?
Hoe zou je kunnen afwijzen wat hij heeft aanvaardt?
Hoe zou je kunnen neerzien op dat waarvoor Hij stierf?
Je bent niet langer zomaar iemand, maar je bent iemand voor wie Christus gestorven is.
Als Hij voor mij gestorven is, moet er iets aan mij zijn wat het waard is om voor te sterven…

14. anderen en ons gevoel van eigenwaarde

Liefde voor onszelf God en anderen, is een reactie op bemind worden. (152)
De apostel Johannes zegt dat onomwonden: ‘wij hebben lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad’. )1 Joh 4:19

Wat geldt voor onze relatie met God, geldt ook voor onze relatie met onszelf en met anderen.
Hebt u er wel eens bij stilgestaan waarom God ons heeft opgedragen elkaar lief te hebben?

Ik (Narramore) weet wel dat we allemaal denken dat liefde een christelijke deugd is, maar waarom is liefde zo alles overheersend belangrijk? Als God tegen ons zegt dat wij elkaar moeten liefhebben, moet dat zijn omdat het liefhebben van anderen waardevolle gevolgen heeft. Het doel van onze liefde is anderen te laten zien dat zij belangrijk, van betekenis en waardevol zijn.

Zonder onze liefde zullen zij nooit weten hoe waardevol zij zijn. God maakt gebruik van ouders, kinderen, partners en vrienden om Zijn liefde over te dragen aan anderen. Er voltrekt zich een genezingsproces als wij door anderen bemind worden. (152/153)

Bedenk dat het liefhebben van jezelf een gevolg is van bemind worden.
Als we toestaan dat anderen ons accepteren, gaan we meer openstaan voor onszelf en aanvaarden we onszelf eerder.

We zien dan de bewijzen uit de eerste hand, van de aard van Gods liefde, en krijgen een dieper inzicht in Zijn liefde voor ons. Dat is de reden waarom Christus zegt: ‘hebt elkander lief, gelijk Ik u heb liefgehad’ (Joh 15:12). (155)

15. een woord tot slot

Wij allen ondergaan in ons leven een proces van groei en verandering. Het eindresultaat van dit proces is gelijkenis met het beeld van God.
Passages in de Bijbel als Rom 8:29-31 en 1Cor 15:49 gewagen immers van onze uiteindelijke bestemming. Ze maken duidelijk dat wanneer ons leven op aarde ten einde zal zijn, een ieder die zijn vertrouwen op Christus heeft gesteld, in volmaaktheid zal worden hersteld.

Maar bovendien zeggen diverse Bijbelteksten ons dat wij nu reeds dit transformatieproces ondergaan. (158)
Zodra wij ons vertrouwen op Jezus stellen, ondergaan wij een verandering. Hoewel wij nog niet volmaakt zijn, zijn en worden we wel anders. We zijn ontvankelijk voor de dingen van de Geest, hebben een open oor voor de stem van God, en zijn actief betrokken bij het proces van een totaal herstel.
Dit zich voltrekkend herstel komt voort uit een toegenomen inzicht in onze zwakheden, een bevrijding uit de kluisters van onze schuldgevoelens, een toegenomen inzicht in de Schrift en grotere vertrouwelijkheid in onze omgang met God en anderen. (158)

Intussen gaat datgene wat wezenlijk aan ons is niet teloor door onze zwakheden en onze tekortkomingen. Wij zijn de kroon op Gods schepping, wij zijn door Hem geschapen en wij zijn voorbestemd om in eeuwigheid met Hem te vertoeven.
Kunnen wij met zo’n identiteit, iets anders doen dan onszelf liefhebben?
En kunnen wij, met een dergelijk identiteit, iets anders doen dan de Ene die dit mogelijk heeft gemaakt, liefhebben? (159)

About the author: Ed Dorst (i.o.)